maandag 9 april 2012 – 15.00 uur

2e Paasdag

CELLO EN PIANO
Maarten Boasson – cello
Peter Cramer – piano
Wölfl, Villa Lobos, Franck

Maarten Boasson en Peter Cramer in ’t Mosterdzaadje

Maarten Boasson en Peter Cramer

Op Tweede Paasdag, maandag 9 april om 15.00 uur zullen in ’t Mosterdzaadje de cellist Maarten Boasson en de pianist Peter Cramer een mooi programma uitvoeren waarin werk wordt uitgevoerd van Wölfl (leerling van zowel Mozart als Haydn), Heitor Villa-Lobos (Brazilië) en César Franck.

Helemaal nu Maarten Boasson professor in ruste is heeft hij nóg meer dan voorheen concerten over de hele wereld. Zo keerde hij onlangs uit Singapore waar hij via wetenschappelijke contacten een pianist vond waarmee hij op het podium stond. Met zijn vaste pianist Peter Cramer, die behalve pianist ook organist is in Groningen, komt hij al jaren in ’t Mosterdzaadje en samen weten ze altijd weer een mooi programma samen te stellen.

Maarten Boasson schreef over het concert het volgende:

Joseph Wölfl is in 1773 in Salzburg geboren, waar hij muziek studeerde bij Leopold Mozart en Michael Haydn. Hij paste wel in de traditie van deze grote meesters: hij trad al op 7-jarige leeftijd op als violist. Maar hij moest, na onmiskenbare successen in Wenen toch in Beethoven zijn meerdere erkennen: na een improvisatie ‘wedstrijd’ ten huize van Graaf Wetzlar in 1799 vertrok Wölfl naar Parijs, om een paar jaar later door te reizen naar Londen, waar hij uiteindelijk succes had. Het mocht niet lang duren: Wölfl overleed in 1812, nog maar 39 jaar oud.
De Sonate op 31 voor cello en piano uit 1805 kort voor zijn vertrek naar Londen, opgedragen aan de raadselachtige Madame Hollander, is een plezierig en melodieus, niet ingewikkeld en niet diep-gravend stuk dat het verdient vaker gespeeld te worden.

Heitor Villa-Lobos werd geboren in Rio de Janeiro op 5 maart 1887 en als klein kind leerde hij cello spelen op een altviool die zijn vader had omgebouwd. De liedjes die hij op straat hoorde spelen en zingen vormden zijn favoriete repertoire en de ‘chorôes’ (populaire muzikanten) waren zijn informele leraren.
Toen hij zestien was, wou zijn moeder dat hij geneeskunde zou gaan studeren, maar daar had hij zo’n hekel aan dat hij wegvluchtte en zich gedurende vier jaar aansloot bij een groep muzikanten die Brazilië doorkruisten. Zo leerde hij de populaire muziek van alle streken van zijn land kennen, waarbij vooral de muziek van de Afro-Brazilianen hem boeide.
Na deze vier jaren rondzwerven, hij speelde inmiddels behalve cello, ook altviool, piano, gitaar, klarinet en een heel scala aan blaasinstrumenten, vestigde hij zich definitief in Rio in 1913 en leerde als autodidact de werken van de grote componisten kennen. Hij werd echter gedreven door zijn instinct, door zijn kennis van de Braziliaanse folklore en door zijn bewondering voor Johann Sebastian Bach (“er zijn maar twee echt grote componisten: Bach en ik”). Zijn twee lange reizen naar Parijs (1923-1925 en 1927-1930, na het ontstaan van de cellosonate, dus) laten bij het verfijnde en verblufte Europa een indruk van wilde, sensuele, zelfs irrationele kunst achter. De opvoering van zijn eerste Chôros (wat werd gedefinieerd als een “nieuwe vorm van muzikale compositie die de verschillende modaliteiten van de Braziliaanse, Indiaanse en populaire muziek samenbrengt”), was een onvoorstelbaar succes en vormde het begin van international erkenning.
De zelden gespeelde Cellosonate is in zekere zin overweldigend. In alle delen is te horen dat Villa-Lobos (in die periode) meer gaf om emotie en klank dan om vorm en harmonie. Misschien is het wel het beste om zonder nadere beschrijving dit werk te ondergaan – het lijkt lang, maar is in feite zo voorbij…

César Franck wordt, hoewel geboren in Luik, beschouwd als een centrale figuur onder de Franse componisten. De door zijn vader gedachte carrière als pianovirtuoos mislukte, maar ook als componist had Franck maar beperkt succes. Dat is in later tijden veranderd en Franck hoort in retrospect tot de belangrijkste Franse componisten.
Zijn Vioolsonate is een huwelijksgeschenk aan zijn vriend, de grote violist Eugène Ysaÿe. Er zijn kenners die in de vier delen van de sonate de verschillende stadia van een huwelijk horen, maar dat er in te horen laat ik graag aan u over.
Zeker is dat de vier delen sterk verschillen in karakter en toch met elkaar verbonden zijn door het gebruik van thematisch materiaal, de door Franck veel gebruikte cyclische opbouw.
Het spelen van de vioolsonate als cellosonate is min of meer gerechtvaardigd omdat Franck zelf daar zijn fiat aan heeft gegeven. De transcriptie is van de Franse cellist Jules Delsart.

Reacties zijn afgesloten.